Fry, de firefly

Midden in het grote park van de stad lag een klein vijvertje. Dit vijvertje was het mooiste plekje in het park, het was omringd door stoere hoge grashelmen en de meest geurige bloemen in alle kleuren. Het was het favoriete plekje van alle dieren, kinderen en grote mensen. Zo ook van Fry the firefly. 

Fry was een vuurvliegje wat druk rondsnorde tussen alle hoge helmen door. Hij had van zijn ouders een mooie tas gekregen en had de hele dag zijn best gedaan om de tas te vullen met lekkere dingen voor zijn zusje. Hij droeg de tas vol trots en was blij met al het lekkers wat hij gevonden had. Fry lette goed op waar hij vloog want hij wilde niet op de donkere grond vallen. De aarde was zó zwart en er kwam helemaal geen zonlicht door de stengels heen. Fry kreeg de rillingen als hij naar dit donker keek.

 

Terwijl Fry naar de grond keek, lette hij toch niet goed op en botste zo tegen een grote bloem aan. Boem! “Au!” Fry schrok zo van de val dat hij zijn tas los liet. Zijn tas vol met lekkers tuimelde naar beneden. Daar ging hij, zo het donker in tussen al het riet. Fry riep heel hard “Nee!” Maar het mocht niet baten. Zijn tas was niet meer te zien.

 

Op dat moment keek er ineens iemand heel gemeen over de bloem heen. Oh nee, dacht Fry, toen hij zag dat het Wazzy de wesp was. “Hé! Kan je niet uitkijken gekke Fry!” zei Wazzy boos. Fry ging meteen wat achteruit want hij was eigenlijk best wel bang voor Wazzy en zijn vrienden met hun grote lijven en dikke angels.

 

Wazzy’s wespenvrienden begonnen meteen te lachen toen ze Fry zo zagen schrikken. “Kijk hem nou die bangerd” zei er één. “Hij heeft zijn tas laten vallen en hij durft hem vast niet te halen! Wat een schijtert!” zei een ander.

“I-i-i-i-ikk ben helemaal niet bang”, zei Fry bibberend. “Echt niet!” Wazzy begon meteen te lachen. “Als je dan niet bang bent” zei Wazzy, “waarom vlieg je dan niet gewoon achter je tas aan, daar tussen het riet?”. “Oeehhh” zeiden de andere wespen. 

 

Fry schrok zich rot, hij durfde echt niet naar beneden te vliegen. Dat was daar veel te donker!!! Hij besloot gewoon weg te gaan maar hoorde de andere wespen achter hem heel hard lachen. 

 

Fry baalde ontzettend dat hij zijn fijne tas met het lekkers kwijt was. Hij was er helemaal verdrietig van. Aan de andere kant van de vijver landde Fry snikkend op de rand van de prullenbak. Hij voelde zich super rot! Waarom moest hij nou die wespen tegenkomen, zij lachten hem altijd uit als hij bang was. Maar hij durfde gewoon het donker niet in! “Was ik maar niet zo bang in het donker, dan had ik mijn tas kunnen pakken én hadden de vreselijke wespen me ook niet gepest”, dacht Fry.

 

“Wat een verdriet! Wat is er gebeurd?” vroeg ineens een lieve stem naast hem. Hij keek op en zag een aardige vrouw met bruine haren zitten op het bankje naast de prullenbak. Ze keek naar Fry en bood hem een zakdoekje aan. “Je mag wel even met me praten als dat helpt met de tranen”, zei ze vriendelijk. Dus dat deed Fry.

 

Hij vertelde over zijn tas die gevallen was, het enge donker en de gemene wespen. Fry vertelde de lieve vrouw ook alles over zijn papa, mama en zusje. En dat er heel veel lekkere dingen in de tas zaten en het zonde was dat hij die nu was kwijtgeraakt. De lieve mevrouw luisterde goed en keek helemaal niet gek toen hij vertelde dat hij bang was voor het donker!

Toen Fry helemaal uitgepraat was zei hij dat hij wel snapte dat de wespen hem pesten. De lieve mevrouw schraapte haar keel en zei dat het nooit oké was om iemand te pesten. “Iedereen is anders. Sommige durven heel veel, anderen weer niet. Het maakt niet uit wat je wel of niet durft, iedereen is mooi!”  

 

“Maar wat als ik nou heel graag wil laten zien dat ik moedig genoeg ben om mijn tas te zoeken?” vroeg Fry. “Dan ga je dat op jóu manier doen”, zei de lieve mevrouw. “Iedereen heeft kracht in zich, maar soms moet je heel hard werken om dat te voelen” vertelde ze Fry. “En dat kan jij ook!” zei ze als laatste, “maar dan moet je het echt willen”.

 

Fry snoot zijn neus in het zakdoekje en maakte een salto van plezier. Hij voelde zich helemaal opgelucht en blij! Hij was geen lafaard of stommerik. Hij was mooi en moedig!! Fry bedankte de lieve mevrouw en vloog meteen richting de vijver. De wespen zaten nog steeds op de bloemen en Wazzy zag Fry al aankomen. “Oh daar komt de lafaard weer” zei Wazzy. Maar Fry trok er niets van aan. Hij voelde de warme, lieve woorden van de mevrouw, nog door zich heen stromen. Hij nam een snoekduik naar beneden. Hij vloog en hij vloog. Hij moest heel hard werken om te blijven vliegen in het donker. En toen Fry dacht dat hij bijna bij de grond was, voelde hij een warme gloed door zijn buik heen gaan. Ineens was alles om hem heen licht. Hij was gaan gloeien!! En hij verlichte alle donkere grond om zich heen.  

En ja hoor, daar, tussen het hoge riet, zag hij zijn mooie tas liggen! Fry was super blij dat hij alles weer teruggevonden had. En de lieve vrouw had gelijk. Hij had kracht en door zijn eigen kracht had hij licht gemaakt om in het donker te kunnen zien. Hij was een super vuurvlieg! 


(Tekst: Manon Frequin, illustraties: Kim Llewellyn)